Wat doet zo'n dirigent nu eigenlijk?

Als je tijdens een gezellige verjaardagsvisite per ongeluk laat vallen dat je dirigent bent dan is de reactie meestal wel te voorspellen: ‘Goh, wat apart.’ En vervolgens: ‘Wat doet zo’n dirigent nu eigenlijk?’ Het is raadzaam om op zulke momenten een onderhoudend en leerzaam verhaal af te steken over de meest in het oog springende bezigheid van een dirigent – het geëmotioneerd zwaaien met de armen – om de verjaardagsgasten niet te hevig teleur te stellen. Maar dit beeld heeft met de werkelijkheid niet veel te maken. Het grootste deel van de tijd zit een dirigent in stilte achter zijn bureau of piano, peinzend en studerend. Voor de ooms en tantes is dit misschien een domper, maar het eigenlijke werk van de dirigent vindt plaats in die eenzame uurtjes. Over deze kant van het vak gaan de volgende blogs. Een dirigent moet een musicus zijn, zoveel is wel zeker. Maar wat wordt er nog meer van hem gevraagd. In hoeverre is de dirigent een historicus? Een filosoof? Een theoreticus of zelfs een wetenschapper? Hopelijk kunnen de volgende vergelijkingen ons daar iets over leren.

Wat kan de dirigent van de historicus leren?

 

Er zijn veel overeenkomsten tussen het werk van de dirigent die een klassiek muziekstuk uit wil voeren en het werk van een historicus. Beiden beginnen doorgaans met het bestuderen van historische bronnen. De historicus met de overgeleverde documenten, archeologische vondsten et cetera, de dirigent met de partituur. Dat is vanzelfsprekend. Bij nader onderzoek blijken de overeenkomsten echter nog wezenlijker en valt er voor de dirigent veel te leren.

Laten we eerst de onderwerpen eens met elkaar vergelijken. Wat is geschiedenis? En wat is een muzikaal kunstwerk?

De output van de historicus, de historiografie, heeft zelf een rijke geschiedenis en hierin zijn steeds weer andere antwoorden geformuleerd op die eerste vraag. Het begon voor ons allemaal in de klassieke oudheid, waar de geschiedschrijving voor het eerst een serieus genre werd. In deze beginfase was het de geschiedschrijver niet alleen te doen om het ‘docere’ (les geven), maar zeker ook om het ‘delectare’ (vermaken). Het op een rijtje zetten van de historische feiten was zeker niet genoeg, er moest ook een smeuïg verhaal van gemaakt worden. Sindsdien is er veel veranderd en tegenwoordig beschouwen we de geschiedschrijving als een wetenschap. In de beginperiode van de moderne geschiedwetenschap had men, onder invloed van de ideeën van het positivisme, de optimistische gedachte dat een wetenschappelijke en objectieve benadering uiteindelijk zou leiden tot kennis van dé geschiedenis. Dat was natuurlijk een ernstige misrekening. Iedere tijd schrijft zijn eigen geschiedenis en bovendien heeft de verwetenschappelijking er juist voor gezorgd dat we tegenwoordig over een grote hoeveelheid analytische detailstudies beschikken met een even grote verscheidenheid aan invalshoeken. Dergelijke studies vormen samen een geschiedenis. Ook al hunkeren vele landgenoten bijvoorbeeld naar een ‘integrale’ geschiedenis van Nederland, we beschikken vooral over een zeer verguisd beeld aan studies vanuit vele gezichtspunten. Zo is er een sociale, een economische, een culturele, een agrarische geschiedenis van Nederland en ga zo maar door. Al deze facetten vormen samen ons voorlopige beeld van de geschiedenis.

Zo is het ook met een muziekstuk. Wat is nu eigenlijk de Vijfde Symfonie van Beethoven? Er zijn theorieën die de overgeleverde partituur als ontologische kern aanwijzen (het nominalisme), maar een partituur vertegenwoordigt in mijn ogen net zo min het muzikale kunstwerk als een overgeleverde 17de eeuwse boekhouding de geschiedenis van die tijd uitdrukt. Natuurlijk moet de partituur, net als alle historische bronnen, geïnterpreteerd worden. Misschien is de abstracte geluidstructuur van deze compositie dan dé Vijfde Symfonie van Beethoven (het platonisme). Alweer mis: er zijn ongelofelijk veel verschillende uitvoeringen van deze symfonie. Wat is dan dé Vijfde Symfonie van Beethoven?

De vergelijking met de geschiedschrijving biedt wel een mogelijke uitkomst: net zoals de veelkleurige onderzoeken en publicaties gezamenlijk een geschiedenis vormen, zo vormt het geheel aan interpretaties en uitvoeringen de ontologische kern van een muzikaal kunstwerk (de hermeneutische visie). Deze interpretatiegeschiedenis, of zo men wil traditie, is een onderdeel van het betreffende kunstwerk. Een kunstwerk is continu in ontwikkeling. Net zoals de geschiedenis nooit ‘af’ is maar telkens weer geherinterpreteerd wordt, verandert ook een muziekstuk voortdurend van gedaante naarmate de tijd vordert.

De filosoof Hans Georg Gadamer heeft niet voor niets de interpretatie van een kunstwerk tot voorbeeld genomen voor de uitwerking van zijn hermeneutische methodologie van de geesteswetenschappen in het algemeen. Interpretatie is een belangrijk thema in de kunst en in de geesteswetenschappen.

Maar daar begint het pas. De overeenkomsten worden pas echt interessant als we naar de filosofische vragen rondom de geschiedwetenschap kijken. De Britse filosoof R.G. Collingwood hield zich nadrukkelijk en op een briljante manier bezig met de filosofische vragen rondom de geschiedwetenschap. Beroemd is zijn stelling dat alle geschiedenis ‘geschiedenis van het denken’ is. Het historisch proces zelf (het ‘gebeuren’) is voorgoed voorbij en de kennis ervan kan slechts ontstaan in de heropvoering van verleden gedachten in de eigen geest van de historicus (re-enactment in the historian’s mind).

Het is buitengewoon interessant dat Collingwood een muzikaal voorbeeld gebruikt om deze stelling te verduidelijken.

‘Collingwood compares the re-enactment of a thought from the past with the performance of a piece of ancient music. Such a performance does not take us back in time; it brings the piece of music to life in the present.’

Collingwood laat er geen twijfel over bestaan dat een historicus zijn eigen tijd niet kan ‘verlaten’ om een gebeurtenis uit het verleden te duiden. Sterker nog: hij kan de historie juist bestuderen bij gratie van deze afstand in de tijd. Deze distantie maakt het mogelijk om gedachten veel gemakkelijker te herdenken dan in de tijd waarin ze oorspronkelijk gedacht zijn. Door deze onontkoombare inkapseling met het heden zijn echter ook veel verschillende interpretaties mogelijk. Daarin zijn de ideeën van Collingwood verwant aan de eerder genoemde hermeneutiek van Gadamer.

De inzichten van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk hebben ervoor gezorgd dat in het huidige muzikale bedrijf meer historisch onderzoek wordt verricht dan ooit. Een dirigent is dus zeker voor een belangrijk gedeelte bezig met iets wat op historisch onderzoek lijkt. Daarbij kan men profiteren van de methoden en de kennis die historici over de eeuwen heen verzameld hebben. Maar daarbij moet de dirigent niet willekeurig te werk gaan. Bij de bestudering van de bronnen wordt uitgebreid gewerkt met het gereedschap van de historici, maar de filosofische vragen worden daarbij vaak genegeerd. En dat is opvallend, omdat Collingwood juist het uitvoeren van muziek in deze kwesties tot voorbeeld nam voor de geschiedschrijving. Toch werken veel dirigenten vanuit het naïeve idee dat we door een wetenschappelijke en historisch verantwoorde benadering dichter bij de objectieve waarheid van een muzikaal kunstwerk kunnen komen. Een gedachte die de historici al ruim een eeuw achter zich hebben gelaten. Juist het feit dat we niet aan onze eigen tijd kunnen ontsnappen maakt dat we de muziekstukken op een historische manier kunnen benaderen en dat we daaruit een volledig nieuwe interpretatie zullen construeren. En zo schrijft iedere dirigent een nieuw hoofdstuk in de interpretatiegeschiedenis.