Wat kan de musicus van een socioloog leren?

 

Het is altijd enerverend om een boek te lezen uit een totaal ander vakgebied. Niet alleen leer je een heleboel nieuwe dingen, de kans is ook nog eens groot dat je verfrissende inzichten over je eigen vak verwerft.

Het laatste werk van de gerenommeerde socioloog Richard Sennett is in dit opzicht beslist interessant voor de musicus, om te beginnen vanwege Sennetts muzikale achtergrond. Voordat hij zijn leven aan de sociologie wijdde stond hij namelijk aan het begin van een veelbelovende muzikale carrière. Hij studeerde cello aan de vermaarde Julliard school in New York en volgde directielessen bij niemand minder dan Pierre Monteux. Een handblessure maakte een einde aan deze aspiraties. Maar bovenal is het een lezenswaardig boek vanwege het thema: samenwerking.

Dit boek met de titel Samen, Een pleidooi voor samenwerken en solidariteit is het tweede werk uit de trilogie Homo faber, waarin Sennett onderzoekt in hoeverre de mens begrensd wordt in zijn verlangens en wensen in het sociale en persoonlijke leven en of een mens zijn eigen meester kan zijn.

Elke musicus zou vanzelfsprekend geïnteresseerd moeten zijn in het onderwerp ‘samenwerking’. Er zijn maar weinig musici die niet herhaaldelijk ondervinden hoe lastig en complex, maar ook hoe magisch en bevredigend een samenwerking kan zijn. In ieder geval is het voor een musicus zonder meer onmogelijk zijn beroep uit te oefenen zonder de samenwerking met collega toonkunstenaars aan te gaan. Dat geldt zelfs voor de eenzame, wereldvreemde componist en alleszins voor de dirigent.

Het is gezien dit alles niet verwonderlijk dat Sennett regelmatig voorbeelden uit de muziekpraktijk gebruikt ter illustratie van zijn betoog. Daardoor biedt het boek vele aantrekkelijke en prikkelende inzichten voor de professionele muziekmaker.

Op het eerste gezicht zijn daar de bijna terloopse opmerkingen die een musicus al veel kunnen leren. Een greep uit deze schatkamer leert ons bijvoorbeeld dat:

‘Muzikaal karakter ontstaat door kleine drama’s van respect en vasthoudendheid; zeker in kamermuziek moeten we individuen horen met verschillende stemmen die soms conflicteren, in streken of klankkleur. Het verweven van deze verschillen is als het voeren van een rijke conversatie’.

Of: ‘Een repetitie leidt niet tot progressie als een van de musici begint uit te leggen wat het octet van Schubert ‘betekent’, of als alle musici beginnen te praten over het culturele belang ervan (…) Musici die goed repeteren gaan forensisch te werk, onderzoeken concrete problemen.’

En wat te denken van: ‘tijdens het musiceren is er een basaal onderscheid tussen oefenen en repeteren: het ene is een solitaire ervaring, het andere een collectieve’. (Sennett 30-32)

Maar buitengewoon leerrijk wordt het wanneer we deze losse opmerkingen in het licht zien van de twee verschillende manieren van samenwerking die Sennett uiteenzet. Hierbij maakt hij onderscheid tussen de dialectische en de dialogische manier van samenwerken: de eerste tracht via het spel van tegenstelling overeenstemming te bereiken, de tweede poogt visies en ervaringen vrijelijk en zonder beperkingen te laten zweven. Beide manieren van samenwerking kunnen buitengewoon vruchtbaar zijn bij het samen musiceren.

Bij de dialectische methode moeten de gesprekspartners goede luisteraars zijn, wat betekent dat men een gemeenschappelijk begrip probeert te vinden door de achterliggende aannames van de ander te doorgronden. Een goede luisteraar kan vervolgens met andere woorden herhalen wat de gesprekspartner zegt. ‘Wat hij zegt is echter geen precieze herhaling. (…) In deze echo worden de bakens verzet’. (Sennett 35)

Bij de dialogische methode gaat het er veeleer om je bewuster te worden van je eigen standpunten door de uitwisseling, hoewel men het niet eens wordt. In deze ruimte ontstaat de mogelijkheid voor de eerder genoemde ‘kleine drama’s’, die onontbeerlijk zijn voor een spannende muzikale uitvoering. In het dialogische domein speelt een bepaalde ‘hoffelijkheid’ een grote rol, waarbij de discussies omfloerst worden door het gebruik van de aanvoegende wijs, dat wil zeggen formuleringen als ‘mogelijk’, ‘misschien’ en ‘Ik zou denken’. Dit woordgebruik laat een bepaalde ruimte voor het experiment en de voorwaardelijkheid draagt een uitnodiging tot meedoen in zich.

Vanuit dit begrippenpaar ontspint zich in Sennetts boek een indrukwekkende excursie langs de sociale geschiedenis, de kroniek van de wellevendheid en het fenomeen van de diplomatie, van waaruit de complexiteit van het samenwerken verduidelijkt wordt.

Na het lezen van dit indrukwekkende relaas hoeven we dan ook niet verbaasd te zijn dat de muzikale samenwerking, zoals in het echte leven, vele malen ingewikkelder is dan we soms denken. Een intense muzikale ervaring kan nooit ontstaan als de musici zich in het proces louter concentreren op ‘het solitaire oefenen van de noten’, of zich tijdens de repetitie slechts focussen op ‘het eens worden’ en het ‘afspreken wat we gaan doen’. De echte gezamenlijke muzikale ervaring ontstaat alleen in een snelkookpan van levendige en gedifferentieerde collectieve arbeid. 

-------------------

Literatuur:

 Richard Sennett Samen, een pleidooi voor samenwerken en solidariteit Meulenhoff 2016

25671_563b2cacb859b_25671.jpg